Vermogen
Meer vertrouwen in pensioenfondsen: wat de stijging van 55 naar 63 procent zegt
De jaarlijkse DNB-peiling laat een stijging zien. Vertrouwen in een instelling, vertrouwen in uitbetaling en bewijs over de pensioenovergang zijn verschillende dingen.

55 procent wordt 63 procent. Zoveel van de ondervraagde Nederlandse huishoudens heeft in 2026 vertrouwen in pensioenfondsen, meldt DNB in zijn jaarlijkse vertrouwensmeting. De stijging van acht procentpunt valt samen met de overgang naar nieuwe pensioenregels. Dat maakt de uitkomst interessant, maar bewijst niet dat die overgang de stijging heeft veroorzaakt.
Twee vragen over pensioenfondsen
Het onderzoek, gepubliceerd op 8 september 2026, is uitgevoerd onder bijna 2.100 Nederlandse huishoudens. DNB vraagt naar vertrouwen in verschillende financiële instellingen. Voor de sector als geheel stijgt het aandeel ondervraagden met vertrouwen van 52 procent in 2025 naar 57 procent in 2026.
Bij pensioenfondsen noemt DNB twee verschillende uitkomsten. Het algemene vertrouwen in de fondsen gaat van 55 naar 63 procent. Het vertrouwen dat zij de pensioenen kunnen blijven uitkeren stijgt van 51 naar 61 procent. Die tweede vraag gaat over het nakomen van een verplichting, en is niet dezelfde als het algemene oordeel over een instelling.
Dat verschil is ook bij andere instellingen zichtbaar. Het algemene vertrouwen in banken stijgt van 56 naar 62 procent, terwijl het vertrouwen in hun financiële gezondheid volgens DNB stabiel blijft. Bij verzekeraars blijft het algemene vertrouwen op 45 procent, maar stijgt het aandeel dat vertrouwen heeft in het nakomen van financiële verplichtingen tot 66 procent. Een algemene vertrouwensvraag meet dus niet automatisch hetzelfde als een vraag naar financiële gezondheid.
Samenvallen is nog geen verklaring
DNB plaatst de stijging bij pensioenfondsen naast de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel. Het meldt dat meer fondsen inmiddels op de nieuwe regels zijn overgestapt. Ook zegt 61 procent van de ondervraagde huishoudens ten minste redelijk op de hoogte te zijn van het nieuwe stelsel.

De publicatie laat daarmee ontwikkelingen naast elkaar zien. Zij geeft geen afzonderlijke berekening van hoeveel van de vertrouwensstijging door de overgang komt. De percentages zijn ook geen maat voor de financiële uitkomst van die overgang voor een individueel huishouden.
De peiling gaat over opvattingen. Dat maakt haar bruikbaar om te volgen hoe huishoudens naar de sector kijken, maar een gunstiger oordeel is geen gemeten verhoging van pensioenuitkeringen. Evenmin kan het vertrouwen van een steekproef worden gelezen als een garantie dat een instelling haar verplichtingen zal nakomen.
Wat blijft er over van de stijging?
De uitkomst is concreet: in deze jaarlijkse meting hebben meer ondervraagden vertrouwen in pensioenfondsen dan een jaar eerder, en stijgt ook het vertrouwen in het blijven uitkeren van pensioenen. De betekenis wordt nauwkeuriger als beide vragen naast elkaar blijven staan. Het onderzoek vertelt hoe mensen over de fondsen denken; een verklaring voor de verandering vraagt een andere soort bewijs.