De AFM onderscheidt verschillende soorten beleggingskosten, waaronder kosten voor dienstverlening, transacties en producten. Niet alles verschijnt als een losse afschrijving op de betaalrekening. Fondskosten kunnen in de waarde van het product zijn verwerkt. Geen zichtbare rekening ontvangen is dus niet hetzelfde als niets betalen.
Neem een zuiver rekenvoorbeeld met 10.000 euro, twintig jaar en een jaarlijks bruto rendement van 5 procent. Als we vereenvoudigd ieder jaar 0,2 procentpunt kosten van dat rendement aftrekken, groeit het bedrag bij 4,8 procent netto naar ongeveer 25.540 euro. Bij één procentpunt kosten en dus 4 procent netto wordt het ongeveer 21.911 euro. Belastingen, transacties en koersschommelingen zijn buiten dit model gehouden.
Het verschil is ongeveer 3.629 euro. Dat bestaat niet alleen uit kosten die onderweg verdwijnen, maar ook uit de groei die over dat verdwenen geld niet meer plaatsvindt. De SEC beschrijft dit opstapelende effect in haar voorlichting over kosten. De berekening laat het mechanisme zien; ze voorspelt geen werkelijk rendement.
Een lager tarief maakt een product niet automatisch geschikt. Een goedkoop fonds met een heel ander risico is geen gelijkwaardige vervanger van een duurder product. Maar bij vergelijkbare diensten en blootstelling verdient het kostenverschil wel aandacht. Anders vergelijk je vooral de mooie voorkant van een aanbod.
Het verrassende is hoe weinig drama hiervoor nodig is. Geen beurscrash, geen verkeerde koopdag: een regelmatig terugkerend verschil is al genoeg. Kosten zijn niet het spannendste deel van beleggen, maar wel een deel dat zich laat lezen en narekenen. De markt is onzeker. Het kostenoverzicht hoort dat veel minder te zijn.
