Een stablecoin probeert zijn waarde aan een referentie te koppelen, bijvoorbeeld een valuta. DNB onderscheidt hierbij verschillende vormen. Bij een munt die steunt op financiële reserves gaat het niet alleen om de munt op het scherm, maar ook om de bezittingen en afspraken achter de uitgever.
Die reserves moeten meer doen dan op papier een passend totaal vormen. Ze moeten beschikbaar en voldoende liquide zijn wanneer houders willen inwisselen. Een bezit dat op lange termijn waarde kan hebben, is niet automatisch geschikt om vandaag een stroom terugbetalingen te doen. De BIS noemt de kwaliteit en liquiditeit van reserves daarom centrale aandachtspunten.
Daarnaast telt wie daadwerkelijk kan inwisselen, onder welke voorwaarden en binnen welke termijn. De mogelijkheid een token op een handelsplatform te verkopen is niet precies hetzelfde als een afdwingbaar inwisselrecht tegenover de uitgever. Op een markt kan de prijs afwijken van de bedoelde koppeling, juist wanneer vertrouwen onder druk staat.
Voor iemand die in euro’s rekent zit er nog een laag onder. Zelfs als een dollargerichte stablecoin zijn dollarkoppeling perfect houdt, beweegt de eurotegenwaarde met de wisselkoers. Stabiel tegenover één munt is niet stabiel tegenover alles. Het etiket neemt die tweede meetlat niet weg.
Daarom begint een goed begrip van stablecoins niet bij een vlakke koersgrafiek. Het begint bij reserves, rechten en uitvoering. Dat zijn minder flitsende onderwerpen dan de blockchain, maar ze bepalen juist of de rustige buitenkant standhoudt wanneer er haast ontstaat. Een vaste bedoeling is pas overtuigend als het mechanisme erachter werkt.
