Voor een aankoop die in dollars wordt afgerekend telt niet alleen de dollarprijs. Ook hoeveel dollars één euro oplevert maakt uit. De ECB beschrijft wisselkoersen als een van de kanalen waarlangs veranderingen doorwerken in importprijzen en de economie.
Een fictief vat kost 100 dollar. Bij een wisselkoers van 1,10 dollar per euro is dat ongeveer 90,91 euro. Daalt de euro naar precies één dollar, dan wordt hetzelfde vat 100 euro. De dollarprijs is onveranderd gebleven; voor een koper die vanuit euro's rekent is de rekening toch hoger.
Zelfs een dalende dollarprijs kan daardoor worden overruled. Maak het vat 95 dollar en laat de koers opnieuw één dollar per euro zijn. Dan kost het 95 euro, nog steeds meer dan de oorspronkelijke 90,91. Het zijn verzonnen waarden om twee bewegende onderdelen zichtbaar te maken, geen actuele olie- of valutakoersen.
Dat bedrag is vervolgens niet rechtstreeks de prijs aan de pomp. Het inkopen van ruwe olie, het maken en vervoeren van brandstof, belastingen en de uiteindelijke verkoop zijn verschillende stappen. Het rekenvoorbeeld voorspelt daarom geen benzineprijs en zegt evenmin hoe snel een verandering wordt doorgegeven.
De kleine gewoonte die helpt: kijk bij een internationale prijs altijd naar de valuta. Een dalende lijn is pas het begin van de uitleg. Als de munt waarin jij betaalt tegelijk verandert, kan het verhaal in jouw portemonnee een andere richting opgaan.
