Inflatie meet de verandering van een prijsniveau. Dat prijsniveau en het tempo van verandering zijn twee verschillende dingen. De ECB legt inflatie uit als een bredere stijging van prijzen, waardoor een euro minder kan kopen. Het CBS publiceert zowel prijsindexcijfers als inflatiecijfers; daarmee kun je niveau en beweging uit elkaar houden.
Een rekenvoorbeeld maakt het verschil scherp. Een vast mandje kost eerst 100 euro. Na 10 procent prijsstijging kost het 110 euro. Een jaar later is de inflatie in het voorbeeld nog maar 2 procent. Het mandje wordt dan 112,20 euro, geen 102 euro en ook geen 108 euro. Het stijgingstempo is sterk afgenomen, terwijl de rekening verder oploopt.
Daarom kunnen een gunstiger inflatiebericht en een dure kassabon allebei kloppen. Het bericht vergelijkt de snelheid van prijsverandering; de kassabon laat zien welk bedrag nu moet worden betaald. De eerdere sprong blijft in het niveau zitten. Alleen bij dalende prijzen wordt een product werkelijk goedkoper, en een daling van één product zegt nog niets over het hele mandje.
Daar komt bij dat het gemiddelde mandje niet overal hetzelfde wordt gevoeld. Een huishouden met relatief hoge woon- of vervoersuitgaven heeft een andere verdeling dan een huishouden dat veel aan andere zaken besteedt. Loonontwikkeling speelt vervolgens mee in de vraag of de rekening beter betaalbaar wordt. Een prijsindex alleen meet niet het complete huishoudbudget.
De praktische betekenis van lagere inflatie is dus vooral dat de opwaartse druk kan afnemen. Dat is belangrijk, maar geen terugspoelknop. Wie het verschil tussen tempo en niveau ziet, hoeft niet te kiezen tussen het officiële cijfer en zijn eigen ervaring. Vaak beschrijven ze eenvoudigweg een ander deel van hetzelfde verhaal.
